| ◄▬ | Aan de Staatssecretaris Rechtsbescherming | ▬► |
| Verzoek tot intrekking van artikel 81 lid 1 RO |
| Verzoek tot aanvulling van artikel 24 W.v.B.Rv. |
| Antwoord Staatssecretaris |
| Commentaar |
De brief
30 juli 2024
Aan de Staatssecretaris Rechtsbescherming
mr. T.H.D. Struycken
Ministerie van Justitie en Veiligheid
Postbus 20301
2500 EH Den Haag
Geachte heer Struycken,
Hierbij wend ik mij tot u met een tweeledig verzoek om de volgende wetswijzigingen te entameren:
1. Intrekking van artikel 81 lid 1 RO (Wet op de Rechterlijke Organistatie):
Art. 81 lid1 RO bepaalt:
1 Indien de Hoge Raad oordeelt dat een aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan hij zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.Op dit artikel bestaat ernstige kritiek:
“Een geschenk voor de rechterlijke macht en een bron van frustratie voor de cassatieadvocatuur “ (Van Malssen en Van Schaijk 1)
“Welke belastingplichtige zal het bevredigend vinden dat hij in het ongelijk wordt gesteld zonder dat hem duidelijk is waarom?” (Van der Wulp 2)
"De toepassing van artikel 81 RO is een ernstige en principiële inbreuk op de motiveringsplicht als waarborg voor goede rechtspraak. Voor de rechtzoekende voelt een afdoening met artikel 81 RO als pure minachting" (Ligtenberg 3)1 Tom van Malssen en Coen van Schaijk, Art. 81 Wet RO: de stand van zaken, TCR 2021,1
2 Matthijs van der Wulp, UITVERGROOT, Art. 81 Wet RO als toonbeeld van bureaucratische rechtsstaat, 25 augustus 2021
3 Monique Ligtenberg, Een artikel 81 RO-woke, Fiscaal up to Date 26 april 2021Art. 81 lid 1 RO ondermijnt het vertrouwen in de rechtspraak en kan ook tot ongelukken leiden zoals ik persoonlijk heb ervaren met de beide in mijn procedure tegen de Stichting Katholieke Universiteit (Radboud UMC) gewezen onderling tegenstrijdige Miragel arresten.
Ingevolge het - gemotiveerde – 1e Miragel arrest HR 19 juni 2020 ECLI:NL:HR:2020:1082 is het aan de patiënt om te stellen en ingeval van tegenspraak te bewijzen dat een medisch hulpmiddel (zoals een implantaat) ongeschikt is in de zin van art. 6:77 BW, waarbij het dan aan de arts is om als bevrijdend verweer te stellen en te bewijzen dat er desalniettemin geen tekortkoming is omdat het hulpmiddel ten tijde van de toepassing 'state of the art' was.
Ingevolge het in verwijzing na cassatie gewezen – ongemotiveerde (art. 81 lid 1 RO) – 2e Miragel arrest HR 30 juni 2023 ECLI:NL:HR:2023:1002 is het aan de patiënt om niet alleen de ongeschiktheid van het medisch hulpmiddel te stellen en te bewijzen maar bovendien ook nog eens – als onderdeel van de tekortkoming - te stellen en te bewijzen dat het hulpmiddel destijds niet 'state of the art' was (een negatief feit!).
De Miragel arresten van 19 juni 2020 en 30 juni 2023 zijn dus onderling tegenstrijdig en veroorzaken fundamentele rechtsonzekerheid. Door het 2e Miragel arrest wordt de rechtspositie van de patiënt ernstig geschaad. De patiënt wordt opgezadeld met het voor medisch leken ondoenlijk te stellen en te bewijzen negatief feit, dat het toegepaste medisch hulpmiddel niet 'state of the art' is, welk begrip ook nog eens voor velerlei uitleg vatbaar is. Wat geldt voor het medisch hulplmiddel, geldt ingevolge het 1e Miragel arrest, rov. 3.2.2, bovendien ook voor de medische behandeling zelf!
Op rechtspraak.nl staat vermeld dat het 2e Miragel arrest de conclusie volgt van A-G Wissink van 12 mei 2023 ECLI:NL:PHR:2023:488, waaronder de innerlijk tegenstrijdige § 2.17 en § 2.18 en de eveneens innerlijk tegenstrijdige § 2.19.3 en § 2.21.
In § 2.17 4 wordt de algemene bewijsleer gevolgd, maar daarmee is in strijd de conclusie in § 2.18 5 dat de patiënt moet stellen en bewijzen dat het implantaat niet ‘state of the art’ is.
4. Conclusie A-G Wissink
2.17 Uit het eerste arrest van de Hoge Raad in deze zaak en uit de PIP-implantatenbeslissing van de Hoge Raad volgt onder meer het volgende. Artikel 6:74 lid 1 BW vereist dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis. Daarvan is sprake indien hetgeen de schuldenaar verricht in enig opzicht achterblijft bij hetgeen de verbintenis vergt. Bij een geneeskundige behandelingsovereenkomst vergt de verbintenis in het algemeen dat de bij de nakoming daarvan door de hulpverlener gebruikte zaken als bedoeld in art. 6:77 BW voor de toepassing geschikt zijn. Dit moet worden beoordeeld naar de medische inzichten ten tijde van die toepassing.8 Het enkele feit dat de zaak op grond van naderhand opgekomen medische inzichten naar haar aard niet langer geschikt wordt bevonden voor de desbetreffende behandeling, brengt niet mee dat het gebruik van die zaak als een tekortkoming moet worden aangemerkt.
5. Conclusie A-G Wissink
2.18 Op grond van artikel 150 Rv draagt de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van die feiten of rechten. In deze procedure vordert Sassen schadevergoeding op de grond dat sprake is van een tekortkoming van Radboudumc in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, waarbij de gestelde tekortkoming bestaat uit het gebruik van de Miragelplombe bij de behandeling van de loslating van het netvlies van Sassen in juli 1992.
Het is gelet op het voorgaande aan Sassen om te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen dat de plombe destijds niet state of the art was.De tegenstrijdigheid blijkt vooral ook uit de §§ 2.19.3 en 2.21.
In § 2.19.3 6 volgt A-G Wissink in essentie rov. 2.8.4. van het PIP implantaten arrest. Geabstraheerd (van de "verhoogde kans op scheuren en lekken") is zijn conclusie:(Het gebruik van) een (hulp)zaak die vanwege bepaalde eigenschappen ten tijde van de toepassing ondeugdelijk is gebleken, levert een tekortkoming op, tenzij de hulpverlener aantoont dat de zaak desondanks op het moment van toepassing ‘state of the art’ is. Het is aan de patiënt om de tekortkoming te bewijzen en vervolgens is het aan de hulpverlener om aan te tonen dat de zaak destijds toch state of the art was, zodat het gebruik daarvan geen tekortkoming oplevert.
Maar vervolgens concludeert A-G Wissink in § 2.21 7 het tegendeel:
Onjuist is de opvatting dat de gelaedeerde kan volstaan met te stellen en te bewijzen dat de gebruikte zaak op het moment van toepassing ongeschikt was en dat vervolgens op de hulpverlener stelplicht en bewijslast rusten van een bevrijdend verweer dat de gebruikte zaak op het moment van de toepassing ervan naar de heersende medische inzichten wel state of the art was.
Het niet 'state of the art' zijn van de (hulp)zaak is aldus volgens de A-G onderdeel van de tekortkoming, waarvan de stelplicht en bewijslast rusten op de patiënt, die niet alleen de ongeschiktheid moet stellen en te bewijzen maar ook het niet zijn van ‘state of the art’.
6. Conclusie A-G Wissink
2.19.3 In de tweede plaats berust ook rov. 2.8.4 van de prejudiciële beslissing in de zaak van de PIP-implantaten op de hoofdregel van artikel 150 Rv. In verband met bepaalde eigenschappen van de zaak (zoals een verhoogde kans op scheuren en lekken) wordt aangenomen dat de zaak ten tijde van de toepassing ervan in beginsel een tekortkoming oplevert, tenzij de hulpverlener aantoont dat het implantaat desondanks op dat moment state of the art is. Dit betekent dat het allereerst aan de patiënt is om aan te tonen dat sprake is van een implantaat met een verhoogde kans op scheuren of lekken (en dus in dat opzicht van minderwaardige kwaliteit is vergeleken met destijds beschikbare alternatieven).10 Als wordt aangetoond dat het gebruikte implantaat een verhoogde kans op scheuren en lekken had, is het vervolgens aan de hulpverlener om aan te tonen dat het implantaat destijds toch state of the art was, zodat het gebruik daarvan geen tekortkoming oplevert. (…)
7. Conclusie A-G Wissink
2.21 Kortom, het middel berust op de onjuiste opvatting dat de gelaedeerde ermee kan volstaan te stellen en zo nodig te bewijzen dat de gebruikte zaak op enig moment, dat wil zeggen ook na het moment van de toepassing ervan, naar de heersende medische inzichten als ongeschikt moet worden aangemerkt, en dat vervolgens op de hulpverlener stelplicht en bewijslast rusten van een bevrijdend verweer dat de gebruikte zaak op het moment van de toepassing ervan naar de heersende medische inzichten wel state of the art was.Deze tegenstrijdige conclusie is ‘inderhaast’ door de Hoge Raad gevolgd.
De conclusie is genomen op 12 mei 2023. Daarna is het arrest van de Hoge Raad bepaald op 8 december 2023 maar alsnog bij vervroeging gewezen op 30 juni 2023.
Die vervroegde afdoening doet vermoeden dat in die anderhalve maand na de conclusie door de Hoge Raad niet voldoende aandacht aan de zaak is besteed, dit geheel in tegenstelling tot hetgeen de website van de HR 8 vermeldt: “Beide regelingen, die van art. 80a en art. 81 RO, hebben gemeen dat de Hoge Raad geen inhoudelijke onderbouwing geeft als hij het gehele cassatieberoep of het cassatiemiddel niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart. Dat de Hoge Raad een dergelijke beslissing niet motiveert, wil dus niet zeggen dat hij de aangevoerde klachten niet serieus bekeken heeft. Integendeel.”.8. https://www.hogeraad.nl/over/rechtsontwikkeling/
Behalve voormelde tegenstrijdigheden zijn tegen de conclusie van A-G Wissink en het 2e Miragel arrest verder de volgende bezwaren in te brengen,
* Niet valt in te zien waarom de patiënt die een beroep doet op art. 6:77 BW, meer zou moeten stellen en bewijzen dan dat de medische hulpzaak ongeschikt was voor de uitvoering van de uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst voortvloeiende verbintenis. In het bijzonder valt niet in te zien waarom de patiënt daarenboven zou moeten stellen en bewijzen dat de medische hulpzaak niet 'state of the art' was. Waaruit volgt dat vereiste ? Dat blijkt niet uit de redenering van A-G Wissink. De tekst van art. 6:77 BW is duidelijk: de tekortkoming ontstaat door het gebruik van een ongeschikte zaak. Dat is de hoofdregel. Het 'state of the art' zijn van de zaak ten tijde van de toepassing ervan is een uitzondering op de door de ongeschiktheid ontstane tekortkoming. Degene die een beroep doet op een uitzondering op de hoofdregel, heeft daarvan de stelplicht en de bewijslast.
* Bovendien volgt uit het tweede Miragel arrest dat de patiënt belast is met het stellen en bewijzen van een negatief feit, namelijk dat de (hulp)zaak als bedoeld in art. 6:77 BW ten tijde van de toepassing niet 'state of the art' was. Dat is voor de patiënt ondoenlijk. Wat weet de patiënt nu van het al dan niet 'state of the art' zijn van een medisch hulpmiddel zoals bijvoorbeeld een implantaat ? Laat staan van het 'state of the art' zijn van een medische behandeling. De kennis en wetenschap dienaangaande vormen bij uitstek het domein van de arts.
* Het belasten van de patiënt met stelplicht en bewijslast dat het medisch hulpmiddel en/of de medische behandeling niet 'state of the art' waren, is des te bedenkelijker omdat in het tweede Miragel arrest is nagelaten het begrip 'state of the art' als maatstaf nader te normeren. ‘State of the art’ is een voor velerlei uitleg vatbaar begrip. Dat een product het 'nieuwste van het nieuwste' heet te zijn, biedt bovendien onvoldoende waarborg voor de kwaliteit van het product. Het 'nieuwste van het nieuwste' betekent niet automatisch ook 'het beste'.
* Het tweede Miragel arrest leidt dan ook nog eens tot het absurde resultaat dat eenieder die (hulp)zaken levert als zijnde 'state of the art', kan verlangen dat de afnemer moet stellen en bewijzen dat het geleverde niet 'state of the art' is, anders is er geen tekortkoming. Een (hulp)zaak wordt immers niet alleen gebruikt in de geneeskundige behandelings-overeenkomst maar ook in menig andere overeenkomst!
De toepassing van art. 81 RO kan dus tot grote ongelukken leiden en ondermijnt het vertrouwen van de rechtzoekende in de rechtspraak. De rechtzoekende kan geen vertrouwen stellen in rechters die hun uitspraken niet motiveren.
Intrekking van art. 81 lid 1 zal kunnen bijdragen aan het herstel van dit vertrouwen.Voor nadere toelichting op dit verzoek verwijs ik naar de navolgende pagina’s uit mijn webboek ‘Miragel plombe’, www.miragelplombe.nl’, die geprint als bijlagen bij deze brief zijn gevoegd:
- pagina ‘Artikel 81 lid 1 RO’ (bijlage 1)
- pagina ‘Bewijsproblematiek’ (bijlage 2)
- pagina ‘Afrondend’ §§ ‘Artikel 81 lid 1 RO’, ‘Slotsom’ en ‘Aanbevelingen’ (bijlage 3)Verder verwijs ik naar mijn brief van heden aan de President van de Hoge Raad waarin het verzoek wordt gedaan dat de Hoge Raad afziet van het gebruik van art. 81 lid 1 RO (bijlage 4).
JHS: bijlage. 4 moet zijn bijlage 9
2. Aanvulling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ter voorkoming van het zogeheten ‘afdoen op stelplicht’.
Al vele jaren is het ‘afdoen op stelplicht’ bekritiseerd (o.a. Asser in 2012 9, Van der Kraats in 2018 10 en De Bock in 2021 11) zonder merkbaar resultaat.
Het ‘afdoen op stelplicht’ komt in driekwart van de zaken voor (Van der Kraats) en vormt een grove misstand die het vertrouwen in de rechtspraak fundamenteel ondermijnt. Geen vertrouwen kan worden gesteld in kraaienpoten (Asser 12) strooiende en zelfs sinkholes (Van der Kraats 13) fabricerende rechters. Het rechtsverkeer dient gevrijwaard te zijn van vandalisme.9. Asser, Stelplicht, een kraaienpoot op de weg van de waarheidsvinding, TCR 2012, nr.4
10. Van der Kraats, De stelplicht: geen kraaienpoot maar een sinkhole, Ars Aequi 2018 p.262
11. Conclusie A-G De Bock dd. 24-12-2021 ECLI:NL:PHR:2021:1228
12. Asser, ‘Stelplicht, een kraaienpoot op de weg van de waarheidsvinding’, TCR 2012, nr.4
Zelfs indien u gelijk hebt, meneer, krijgt u het niet van mij’, zegt de rechter, die dan zijn juridische kraaienpootjes strooit op de weg naar de waarheid en het verlangde recht. Tot de meest gestrooide juridische kraaienpootjes behoort al een tijdje de dooddoener dat een partij niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Bewijs, met name aangeboden getuigenbewijs, mag dan niet meer worden geleverd.
13. Kim van der Kraats, De stelplicht: geen kraaienpoot maar een sinkhole, Ars Aequi 2018 p.262
Asser heeft de stelplicht ‘een kraaienpoot op de weg van de waarheidsvinding’ genoemd. Die kraaienpoot blijkt in de praktijk een groot ‘sinkhole’.Voor nadere toelichting verwijs ik naar de navolgende pagina’s uit mijn webboek ‘Miragel plombe’, www.miragelplombe.nl’, die geprint als bijlagen bij deze brief zijn gevoegd:
- pagina ‘Afdoen op stelplicht’ (bijlage 4)
- pagina ‘Afdoen op stelplicht – varianten’ (bijlage 5)
- pagina ‘Afrondend’ § ‘Rechterlijk vandalisme’, ‘Slotsom’ en ‘Aanbevelingen’ (bijlage 3)In verwijzing na cassatie heeft het Hof Den Bosch in zijn arrest van 5 april 2022 ECLI:NL:GHSHE:2022:1080 de zaak afgedaan op stelplicht. Sinkholes zijn gefabriceerd en een kraaienpoot is gestrooid met fatale gevolgen.
a. Het hof Den Bosch is buiten de rechtsstrijd van partijen getreden en heeft ten mijnen laste stelplicht en bewijslast omgekeerd omdat ik iets niet had gesteld wat onmogelijk gesteld had kunnen worden, namelijk dat de Miragelplombe, vergeleken met andere beschikbare hydrogel plombes, een grotere kans heeft op zwellen of op andere complicaties.
Er zijn geen andere hydrogel plombes beschikbaar geweest en deze plombes zijn dan ook niet in het processueel debat tussen partijen aan de orde geweest. De Miragelplombe was de enige commercieel beschikbare hydrogel plombe, zoals is gesteld in de memorie in verwijzing na cassatie (§ 102-103) met citaten uit artikelen, die tot de processtukken behoren.
Bovendien negeerde het hof ook nog eens het - op grond van het deskundigenrapport van 24 juni 2011 - vaststaand gegeven dat het grote verschil tussen de Miragel plombe en de siliconenplombe is de zwelling en de fragmentatie van het Miragel materiaal. De hydrogel Miragel plombe had nu juist in vergelijking met andere wel beschikbare siliconen plombes met dezelfde functionaliteit een grotere kans op zwellen of op andere complicaties. Dit gegeven is door het hof volstrekt genegeerd.
Het hof heeft dusdoende een zogenoemd ‘sinkhole’ (Van der Kraats) gefabriceerd om mijn zaak te doen stranden.
Mitsdien is sprake van evident onrechtmatige rechtspraak, ook al heeft het arrest van het hof gezag van gewijsde, omdat het cassatieberoep hiertegen in het 2e Miragel arrest is verworpen met art. 81 lid 1 RO.
b. Kern van het geschil in verwijzing na cassatie was de vraag of de Miragelplombe op het moment van de operatie (juli 1992) "state of the art" was (hof rov. 3.6). Het antwoord hierop vergde (her)beoordeling op basis van deze nieuwe maatstaf van alle van belang zijnde feiten, zowel voor als na verwijzing. De waardering van de feiten was afhankelijk van de – in de verwijzingsprocedure nieuwe – rechtsnorm ‘state of the art’ waaraan die feiten dienden te worden getoetst.
In verwijzing na cassatie is door mij uitvoerig gesteld dat en waarom de Miragelplombe in juli 1992 niet (langer) als “state of the art” kon worden beschouwd en is ook het bewijs van die stellingen geleverd. Mijn memorie in verwijzing § 151 luidt: “Met dit artikel van Marin ea, het Editorial van Thompson en Chambers (‘Good Ideas Gone Bad: The MIRAgel Saga’) en de overige door hem in het geding gebrachte artikelen levert Sassen het bewijs van zijn stelling dat de Miragel plombe ten tijde van het gebruik bij hem op 6 juli 1992 niet (langer) ‘state of the art’ kon zijn.”.
De overweging van het hof (rov. 3.14) dat "na verwijzing onvoldoende (nieuwe) stellingen zijn ingenomen om te kunnen oordelen dat de Miragelplombe niet (langer) 'state of the art' was bij gebruik als extrascleraal implantaat" komt neer op het fabriceren van een sinkhole, waarin zo'n kleine 70 bladzijden aan 'nieuwe' stellingen' c.q. stellingen op basis van de nieuwe normatieve grondslag van 'state of the art' zijn verdwenen.
Een dergelijke sinkhole fabriceren teneinde de rechtzoekende te doen stranden op de weg naar waarheid en het verlangde recht is eveneens evident onrechtmatige rechtspraak.c. Een variant op het 'afdoen op stelplicht' is deze dat de rechter aan een essentiële stelling de essentie ervan ontneemt en vervolgens deze 'uitgeklede' stelling verwerpt.
Het hof Den Bosch heeft mijn stelling, dat de oorzaak van de lange termijn complicaties van de Miragel plombe was gelegen in het materiaalgebrek (“serious flaw in the MIRAgel material”), ontdaan van zijn essentie door in rov. 3.10 “serious flaw" uitsluitend te betrekken op de Miragel plombe zelf en niet op het MIRAgel materiaal, waaruit deze plombe is vervaardigd. Of “serious flaw” wordt gerelateerd aan het MIRAgel materiaal of aan de Miragel plombe, maakt een wezenlijk verschil. De zwelling van het MIRAgel materiaal zelf bleek uit het artikel van Marin ea van januari 1992. Dat de uit dit zelfde MIRAgel materiaal vervaardigde episcleraal geplaatste Miragel plombe eveneens dat materiaalgebrek had, bleek pas uit het artikel van Hwang ea van september 1997.
Door het oordeel aldus te beperken tot de plombe en mijn stelling met betrekking tot het MIRAgel materiaal van zijn essentie te ontdoen en te negeren heeft het hof een kraaienpoot gestrooid met fatale gevolgen, waardoor voor mij de weg naar de waarheid en het verlangde recht is doodgelopen.
Mitsdien is sprake van evident onrechtmatige rechtspraak.Voor nadere toelichting verwijs ik naar de navolgende pagina’s uit mijn webboek ‘Miragel plombe’, www.miragelplombe.nl’, die geprint als bijlagen bij deze brief zijn gevoegd:
- pagina ‘Afdoen op stelplicht - Hof den Bosch (1)’ (bijlage 6)
- pagina ‘Afdoen op stelplicht - Hof den Bosch (2)’ (bijlage 7)
- pagina ‘Afdoen op stelplicht - variant - hof Den Bosch’ (bijlage 8)In het arrest van het hof Den Bosch manifesteert zich het 'afdoen op stelplicht' in al zijn verwerpelijkheid en absurditeit, hetgeen de noodzaak van wetswijziging als hierna voorgesteld, onderstreept.
Mijn voorstel is dat in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt opgenomen de volgende aanvulling – hierna in cursief - op artikel 24 Rv:
“De rechter onderzoekt en beslist de zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit.
Indien de rechter tot de bevinding komt dat een partij, eisende of verwerende, te weinig heeft gesteld voor het dragen van het beoogd rechtsgevolg, beslist hij niet alvorens die partij in kennis te stellen van de tekortkoming en de gelegenheid te geven haar stellingen nader schriftelijk of mondeling toe te lichten.”Ter toelichting op dit voorstel verwijs ik naar de conclusie van de A-G De Bock dd. 24-12-2021 ECLI:NL:PHR:2021:1228, par. 4.34:
4.34 Dat doet er niet aan af dat er veel is aan te merken op het afdoen van zaken op stelplicht. Om te beginnen zou de rechter, vanwege de onduidelijkheid over de formulering ‘onvoldoende gesteld’, preciezer moeten formuleren wat zij in een concreet geval daarmee nu precies bedoelt. Verder zou de rechter, voordat gegrepen wordt naar deze manier van afdoen, eerst aan een partij – ter zitting – moeten voorhouden wat zij als tekortkoming beschouwt aan de stellingen van een partij en die partij in de gelegenheid moeten stellen nog een toelichting te geven. In de eerste aanleg is dit ook de gebruikelijke gang van zaken.58 En als het niet voldoen aan de stelplicht fungeert als blokkering voor de waarheidsvinding, zal de rechter zich op zijn minst de volgende controlevraag moeten stellen: wat had de steller/betwister in redelijkheid meer of anders kunnen en moeten stellen? 59 Verder kan als vuistregel worden gehanteerd dat de rechter alleen dient te oordelen dat een in het geding centraal staande stelling onvoldoende onderbouwd is indien dit ‘in uitgesproken mate’ het geval is.60 Met andere woorden, als de stelling betrekking heeft op de kern van het geschil, dan moet zo min mogelijk naar deze wijze van afdoening worden gegrepen en moet de rechter gewoon uitzoeken hoe het zit.
Noten
58 Zie ook T. Hidma, ‘Over de kraaienpootjes van Vrouwe Justitia: Open vizier tijdens de mondelinge behandeling’, in: R. de Bock, R. Klomp & E. Schaafsma-Beversluis (red.), Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020, p. 147-154.
59 Zie G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv, aant. 3; J.P. de Haan, ‘Over kraaienpoten en ‘sinkholes’. Een kritische blik op het afdoen op stelplicht’, in: Ars Aequi 2021/5 (AA20210450).
60 Zie hierover de conclusie van A-G Huydecoper bij HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9729, onder 8 en mijn conclusie voor HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:305, onder 3.10 en 3.29.Verder verwijs ik naar mijn brief van heden aan de President van de Hoge Raad (bijlage 9) waarin het tweeledig verzoek wordt gedaan:
dat de Hoge Raad voortaan afziet van toepassing van art. 81 lid 1 RO
dat de Hoge Raad vanwege de tegenstrijdigheid tussen het 1e en het 2e Miragel arrest omwille van de rechtspositie van de patiënt zo snel als mogelijk uitsluitsel geeft welk arrest juist is.Tenslotte gaat hierbij mijn brief van heden aan Procureur-Generaal bij de Hoge Raad (bijlage 10) met het verzoek om op de voet van artikel 46o lid 1 jo. lid 2 Wet Rechtspositie Rechterlijke Ambtenaren (WRRA) ambtshalve te vorderen dat de Hoge Raad de disciplinaire maatregel van ontslag althans een van de andere in artikel 46ca WRRA bedoelde disciplinaire maatregelen oplegt aan de raadsheren van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, die voormeld arrest van 5 april 2022 ECLI:NL:GHSHE:2022:1080 hebben gewezen.
Mijn brief aan u wordt tevens in het webboek opgenomen als ‘open brief’.
Gaarne in afwachting van uw bericht,
Hoogachtend,
J.H. Sassen
Bijlagen:
1. pagina ‘Artikel 81 lid 1 RO’
2. pagina ‘Bewijsproblematiek’
3. pagina ‘Afrondend’ §§ ‘Artikel 81 lid 1 RO’, ‘Rechterlijk vandalisme’ ,‘Slotsom’ en ‘Aanbevelingen’
4. pagina ‘Afdoen op stelplicht’
5. pagina ‘Afdoen op stelplicht – varianten’
6. pagina ‘Afdoen op stelplicht - Hof den Bosch (1)’
7. pagina ‘Afdoen op stelplicht - Hof den Bosch (2)’
8. pagina ‘Afdoen op stelplicht - variant - hof Den Bosch’
9. mijn brief van heden aan de President van de Hoge Raad
10. mijn brief van heden aan Procureur-Generaal bij de Hoge Raad
NB. In de originele brief zijn de voetnoten onder aan de bladzijde geplaatst, maar in deze tekst onder de desbetreffende alinea's
4-8-2024
Addendum
Op 6 september 2024 is bovenstaande brief beantwoord als volgt:
Geachte heer of mevrouw Sassen,Uw bovengenoemde brief is op mijn ministerie in goede orde ontvangen. In genoemde brief laat u weten dat u de president van de Hoge Raad per brief heeft verzocht artikel 81 van de wet op de rechterlijke organisatie (wet RO) niet meer toe te pássen. Aan de hand van twee arresten heeft u uw verzoek toegelicht. Ook heeft u de Hoge Raad verzocht duidelijkheid te geven over de in uw opvatting tegenstrijdige uitspraken.
Het instrument van artikel 81 wet RO staat de Hoge Raad ter beschikking indien aan de wettelijke vereisten is voldaan. Het is geen verplichting artikel 81 wet RO toe te passen, wel kan toepassing van dit instrument behulpzaam zijn bij het afdoen van aantallen zaken die aan de Hoge Raad worden voorgelegd. Het is aan de Hoge Raad om te bepalen of en zo ja, in welke daarvoor geschikte zaken zij artikel 81 wet RO willen toepassen. Het onmogelijk maken om artikel 81 wet RO toe te passen heeft (grote) gevolgen voor de doorlooptijden van zaken die aan de Hoge Raad worden voorgelegd. Een spoedige beslissing door de Hoge Raad wordt van groot belang geacht, ook als dat in bepaalde gevallen betekent dat er geen uitgebreide motivering is verstrekt.
Daarnaast heeft u gevraagd om een wijziging van het afdoen op stelplicht. Dit verzoek is -blijkens- uw brief ingegeven door een concrete zaak die heeft gediend bij het Hof Den Bosch. Uit uw brief kan ik niet opmaken dat een wetswijziging nodig is om een mankement in het recht te herstellen. Ten aanzien van de zaak bij het Hof Den Bosch heeft u per brief aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad verzocht disciplinaire maatregelen te treffen. Het is niet aan mij om disciplinaire maatregelen jegens raadsheren te treffen. Het is aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad om u daarover te berichten.
Ik vertrouw erop u met het vorenstaande voldoende te hebben geïnformeerd.
Hoogachtend,
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
namens deze,
D. van de Wetering
Hoofd Benoemingen, Burgercorrespondentie,
Ondersteuning en Parlementaire Zaken
Voor wat betreft art. 81 lid 1 RO gaat het antwoord volledig voorbij aan de in mijn brief verwoorde ernstige kritiek.
De Staatssecretaris heeft slechts og voor de doorlooptijden van cassatiezaken en en een spoedige beslissing door de Hoge Raad.
Voor wat betreft het verzoek tot wetswijziging, de aanvulling van 24 W.v.B.Rv. om het afdoen op stelplicht onmogelijk te maken, wordt slechts opgemerkt dat de Staatssectaris uit de brief niet kan opmaken dat een wetswijziging nodig is om een "mankement in het recht" te herstellen.
Het afdoen op stelplicht wordt dus kennelijk niet als een mankement in het recht gezien !
Het ‘afdoen op stelplicht’ is nota bene al vele jaren bekritiseerd (o.a. Asser in 2012, Van der Kraats in 2018 en De Bock in 2021) zonder merkbaar resultaat. Het komt in driekwart van de zaken voor (Van der Kraats), en vormt aldus een grove misstand die het vertrouwen in de rechtspraak fundamenteel ondermijnt door kraaienpoten strooiende (Asser) en zelfs sinkholes aanleggende (Van der Kraats) rechters.
De staatssecretaris rechtsbescherming zat in de regering (kabinet Schoof) namens NSC, Nieuw Sociaal Contract, welke partij pal zegt te staan voor behoorlijk bestuur. Het door hem gegeven afwijzend antwoord komt neer op ambtelijke afdoening en heeft niets met behoorlijk bestuur van doen, laat staan rechrsbescherming van de rechtzoekende. integendeel, zij zijn door hem bij het oud vuil gezet.
27-10-2025
| ◄▬ | Aan de Staatssecretaris Rechtsbescherming | ▬► |