◄▬ Afdoen op stelplicht - de draaipoort zaak ▬►
Inhoudsopgave Afdoen op stelplicht
Afdoen op stelplicht 2006 Huydecoper 2012 Asser
2016 De Bock 2018 Van der Kraats 2021 De Haan
2021 De Bock Hof Den Bosch (1) Hof Den Bosch (2)
Varianten Hof Arnhem-Leeuwarden Hof Den Bosch
De nieuwe grief De draaipoort zaak  
Inhoudsopgave deze pagina
De draaipoort zaak Klacht bij EHRM Klacht tegen EHRM
Gebondenheid EHRM aan EVRM? Reasoning of judicial decisions


De draaipoort zaak

Dat het afdoen op stelplicht kan leiden tot "flagrantly and manifestly arbitrary" beslissingen *) laat ook de draaipoort zaak zien.

*) Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights, Right to a fair trial (civil limb) Updated to 31 August 2022,
382. Returning to the principle, the Court may not, as a general rule, question the findings and conclusions of the domestic courts as regards:
▪ The establishment of the facts of the case: as a general rule, the assessment of the facts is within the province of the national courts (Van de Hurk v. the Netherlands, 1994, § 61); the Court cannot challenge the findings of the domestic courts, save where they are flagrantly and manifestly arbitrary (García Ruiz v. Spain [GC], 1999, §§ 28-29; Radomilja and Others v. Croatia [GC], 2018, § 150).

Het gaat hier om een procedure tot behoorlijke nakoming van de bouw en aanleg van een draaipoort aan het begin van de oprit annex intercom audio/video verbinding. De poort is begin 2017 gebouwd waarna nog een aantal 'opleverpunten' resteerden, die in september 2027 waren verholpen op twee na:
♦ De 'door open' functie: op de monitor in huis moest gezien kunnen worden of de poort open of dicht stond. De poort was namelijk vanuit huis niet te zien. Poortbouwer Gelmo BV stelde zich op het standpunt dat het hier ging om meerwerk. Er moest een extra kabel getrokken worden tussen poort en huis, wat niet was overeengekomen.
♦ De 'nostalgische bel': een afzonderlijk van de poort werkende toegangscontrole door middel van een 'nostalgisch' belgeluid. Gelmo BV stelde dat zij niet in staat was gebleken deze faciliteit te leveren.

Een procedure tot alsnog behoorlijke oplevering werd gestart, maar de rechtbank Arnhem wees bij vonnis dd. 2 december 2020 de vorderingen af.
Het vonnis werd in hoger beroep bij arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden dd. 10 mei 2022 bekrachtigd. 

Inzake de functie 'poort open' overwoog het hof dat te weinig was gesteld om te concluderen dat deze functionalieteit tot de overeenkomst behoorde.

Hof
Functie "door open"
4.6. Het geïnstalleerde Comelit systeem kan zo geprogrammeerd worden dat door middel van een icoon op het bedieningspaneel voor Sassen zichtbaar is of de poort openstaat of gesloten is:· de "door open" functie. Sassen stelt dat het hier gaat om een "standaard" functie van het Comelit systeem, die daarom tot de overeenkomst behoorde. Uit het rapport van JWR Electrotechniek blijkt dat een sensor nodig is om de stand van de poort (open of dicht) aan te geven en dat die sensor ontbrak. Bovendien is op 17 maart 2020 een relais gemonteerd_ voor het deurstatuscontact en zijn de kabels deurstatuscontact aangesloten, zo blijkt uit de toelichting van Klaassen Electrotechniek op haar factuur van 1 juni 2020. Die feiten ondersteunen het betoog .van Gelmo dat de "door open" functionaliteit van het Comelit systeem een optioneel systeem is dat desgewenst toegevoegd kan worden, maar niet een "standaard" functie van het Comelit systeem is. Tegen die achtergrond stelt Sassen verder te weinig om te concluderen dat deze functionaliteit tot de overeenkomst behoorde. Het hof kan daarom niet vaststellen dat tussen Gelmo en Sassen is overeengekomen dat Gelmo een systeem met "door open" functionaliteit zou leveren.

Met de overweging "Tegen die achtergrond stelt Sassen verder te weinig om te concluderen dat deze functionaliteit tot de overeenkomst behoorde" negeerde het hof - zoals ook in het arrest van het hof Den Bosch in de Miragel zaak gebeurde - een veelheid aan stellingen - een heel feitencomplex - die ook met bewijsstukken waren onderbouwd.
Gesteld was namelijk dat alles wat voor de werking van de functie ‘door open’ nodig was aan bekabeling en sensor/magneetcontact, al door Gelmo en/of haar onderaannemer was aangelegd.
Gelmo’s mededeling dat voor deze functie meerwerk in de vorm van extra bekabeling en uitbreiding van de Comelit unit nodig was met extra kosten, was dus aantoonbaar onjuist. Dat 'meerwerk' bleek immers al als 'werk' te zijn gedaan.

Inzake de extra kabel overwoog het hof ook nog dat uit niets bleek "dat Gelmo wist of behoorde te weten dat haar standpunt dat een extra kabel nodig was, onjuist was".

Hof
4.19. Het hof overweegt als volgt. Artikel 21 Rv verplicht partijen de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aàn te voeren. Met betrekking tot de "door open" functie, blijkt uit niets dat Gelmo wist of behoorde te weten dat haar standpunt dat een extra kabel nodig was, onjuist was. De verweren van Gelmo dat de "door open" functie niet overeengekomen was en dat ten aanzien van het "nostalgische belgeluid" nakoming blijvend onmogelijk was, heeft het hof juist bevonden. De overige opmerkingen van Gelmo waarover Sassen klaagt, zien niet op feiten die voor de beslissing van belang zijn.

Deze overweging "blijkt uit niets" is totaal onbegrijpelijk omdat uit onderzoek van derden - waarvan de bevindingen tot de processtukken behoren - was gebleken dat de nodige bekabeling al bij de bouw van de poort was aangelegd, nota bene door Gelmo zelf en/of haar onderaannemer, wat Gelmo uiteraard bekend was.
’s Hofs overwegingen zijn daarom willekeurig/flagrant of kennelijk onredelijk (Guide 31-12-2021 § 369 - zie hierna).


Inzake het 'nostalgisch belgeluid' overwoog het hof dat het verweer van Gelmo dat zij feitelijk niet kon nakomen, 
onvoldoende was weersproken.

Hof
4.10. In de opdrachtbevestiging is opgenomen "een nostalgisch deurbel geluid welke in de buitenomgeving duidelijk waarneembaar is". In de mail van 20 november 201.7 schreef Gelmo "het signaal en de bel zijn door ons niet correct aan te leveren". Dat levert een gebrek op. Artikel 7:759 lid 1 BW bepaalt dat de aannemer daarvoor aansprakelijk is. Artikel 7:759 lid 2 BW bepaalt echter dat de opdrachtgever niet in alle gevallen kan vorderen dat de aannemer het gebrek herstelt. Uit artikel 6:87 BW volgt dat in gevallen waar nakoming blijvend onmogelijk is, de wederpartij alleen schadevergoeding kan vorderen. Het betoog van Gelmo komt erop neer dat zij feitelijk niet kan nakomen: het nostalgische belgeluid dat Sassen wenst, kan zij niet leveren. Sassen weerspreekt dat onvoldoende. Hij heeft specifieke eisen voor het geluidsignaal maar voert niet aan dat er een digitaal geluidsbestand bestaat dat aan zijn eisen voldoet. Dat betekent dat Gelmo niet (tot tevredenheid van Sassen) kan nakomen.

's Hofs overweging "Sassen weerspreekt dat onvoldoende" is ook weer een typisch voorbeeld van 'afdoen op stelplicht'.
Zonder enige motivering gaat het hof voorbij aan Gelmo’s mededeling tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg (proces-verbaal mondelinge behandeling 12-10-2020 p.7) dat dit systeem wel leverbaar was geweest maar dat vanwege de kosten ervoor gekozen was om te zeggen dat er niet geleverd kon worden. Gelmo's directeur had immers verklaard: “ik heb met Nikkelen contact gehad. Die heeft gezegd dat het kan via een computersysteem. Uiteindelijk is ervoor gekozen om, gelet op het·kleine bedrag in de opdracht, te zeggen dat er niet geleverd kon worden. We hebben kosten gemaakt die we niet vergoed kregen. Het kon uiteindelijk toch niet.”
Het hof passeert ook zonder enige motivering het beroep op deze verklaring in de memorie van grieven § 68 sub c, die toch een alleszins voldoende weerspreking inhoudt van Gelmo’s bewering dat zij niet kon nakomen.

Memorie van grieven § 68 sub c
c. De rechtbank gaat ten onrechte en onbegrijpelijk voorbij aan het door Gelmo niet betwiste feit 28 29 dat zij van firma Nikkelen een offerte heeft gekregen voor de aanleg van het bezoekerssignalering systeem. Gelmo wil over deze offerte echter geen openheid van zaken geven. Haar verweer dat het bezoekers signaleringsysteem technisch niet haalbaar is, is daarom volstrekt ongeloofwaardig.
In dit verband is ook van belang Neijboer's verklaring ter comparitie (p-v comparitie blz. 7): "ik heb met Nikkelen contact gehad. Die heeft gezegd dat het kan via een computersysteem. Uiteindelijk is ervoor gekozen om, gelet op het kleine bedrag in de opdracht, te zeggen dat er niet geleverd kon worden. We hebben kosten gemaakt die we niet vergoed kregen. Het kon uiteindelijk toch niet."
Het zijn kennelijk louter niet-relevante financiële redenen geweest die Gelmo bewogen hebben om te beweren dat de bezoekerssignalering niet mogelijk was. Sassen begrijpt uit voorgaande dat de aanleg wel degelijk technisch uitvoerbaar was, maar Gelmo het te duur vond, geheel ten onrechte.


Klacht bij het EHRM, gericht tegen de Nederlandse Staat

Het ingewonnen cassatieadvies was negatief, waarmee de nationale rechtsmiddelen waren uitgeput.

Daarom is op 6 september 2022 een klacht ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wegens schending van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

Het toetsingskader is ontleend aan de Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights Right to a fair trial (civil limb), Updated to 31 December 2021 (zie voor de meest recente versie 
https://www.echr.coe.int/documents/d/echr/guide_art_6_eng.)

191. Again with reference to the extent of the judicial review, the Court has added that the domestic courts must “adequately state the reasons on which their decisions are based” (Ramos Nunes de Carvalho e Sá v. Portugal [GC], 2018, § 185). Without requiring a detailed answer to every argument put forward by a complainant, this obligation nevertheless presupposes that a party to judicial proceedings can expect a specific and express reply to those submissions which are decisive for the outcome of the proceedings in question (ibid.).

416. However, where a party’s submission is decisive for the outcome of the proceedings, it requires a specific and express reply (Ruiz Torija v. Spain, 1994, § 30; Hiro Balani v. Spain, 1994, § 28; and compare Petrović and Others v. Montenegro, 2018, § 43).

417. The courts are therefore required to examine:
▪ the litigants’ main arguments (Buzescu v. Romania, 2005, § 67; Donadze v. Georgia, 2006, § 35); specific, pertinent and important points (Mont Blanc Trading Ltd and Antares Titanium Trading Ltd v. Ukraine, 2021, §§ 82 and 84).


369. Returning to the principle, the Court may not, as a general rule, question the findings and conclusions of the domestic courts as regards:
▪ The establishment of the facts of the case: as a general rule, the assessment of the facts is within the province of the national courts (Van de Hurk v. the Netherlands, 1994, § 61); the Court cannot challenge the findings of the domestic courts, save where they are flagrantly and manifestly arbitrary (García Ruiz v. Spain [GC], 1999, §§ 28-29; Radomilja and Others v. Croatia [GC], 2018, § 150).

413. The reasons given must be such as to enable the parties to make effective use of any existing right of appeal (Hirvisaari v. Finland, 2001, § 30 in fine).

NB. Ten tijde van het indienen van de klacht was mij het begrip 'afdoen op stelplicht' nog niet bekend.

De klacht zelf bestaat uit de volgende onderdelen:

Oplevering’.
1.1
Dit klachtonderdeel betreft 's hofs overwegingen 4.2 t/m 4.5 inzake ‘Oplevering’.

In grief 1 sub b (Memorie van Grieven § 37-53) is aangevoerd dat uit de verklaringen en gedragingen van partijen dient te worden afgeleid of Gelmo’s e-mail van 20 november 2017 (MvG prod.26) de kennisgeving inhoudt dat het werk klaar is om te worden opgeleverd als bedoeld in art. 7:758 lid 1 BW en of Sassen het werk heeft gekeurd en aanvaard, aan de hand van de wilsvertrouwensleer respectievelijk de uitwerking daarvan in de Haviltex-maatstaf overeenkomstig de conclusie van de A-G Wissink dd. 2-10-2020, § 3.3.2. In MvG § 39 – 53 is een opsomming gegeven van de relevante verklaringen en gedragingen van partijen. Daartoe behoren Gelmo’s e-mail van 16 februari 2017,  de bespreking van 9 januari 2018, Gelmo’s e-mails van 11 maart 2018, 1 juni 2018 en 3 juni 2018, Sassen’s e-mail van 14 juni 2018, Gelmo’s e-mails van 29 juni 2018 en 20 augustus 2018, Sassen’s e-mails van 20 augustus 2018 en de  slotfactuur van 14 februari 2019  (vindplaatsen vermeld in bijlage 1).
De e-mails van Gelmo van 11 maart en 1 juni 2018 zijn in rov. 4.3 en 4.5 vermeld zonder de inhoud daarvan weer te geven of samen te vatten. Gelmo’s e-mails van 16 februari 2017, 3 juni en 20 augustus 2018 en Sassen’s e-mails van 14 juni en 20 augustus 2018 zijn niet vermeld en het hof geeft ook niet anderszins er blijk van hiermee rekening te hebben gehouden.
Sassen’s grief 1 sub b dat Gelmo’s e-mail van 17 november 2017 dient te worden uitgelegd aan de hand van de gedragingen en verklaringen van partijen overeenkomstig de conclusie van de A-G Wissink, is zijns inziens beslissend voor de uitkomst van de onderhavige procedure en vereist daarom een specifiek en uitdrukkelijk antwoord (Guide 31-12-2021 § 191, § 416, § 417), omdat uit die verklaringen en gedragingen volgt dat naar de bedoeling van partijen op 20 november 2017 oplevering nog moest geschieden. 
1.2.
In grief 1 sub c (§ 55) is aangevoerd dat de rechtbank in rov. 4.6 buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden omdat Gelmo in haar conclusie van antwoord niet heeft gesteld dat door haar op 20 november 2017 de mededeling is gedaan dat het werk gereed is. Het hof heeft aan deze grief geen aandacht geschonken. Gelmo heeft ook in haar memorie van antwoord niet gesteld dat haar mail van 20 november 2017 bedoeld was als een mededeling dat de poort klaar was om te worden opgeleverd en heeft evenmin gesteld dat haar mail aldus door Sassen moest zijn begrepen. 

Evenals de rechtbank is het hof buiten de rechtsstrijd van partijen getreden door in rov. 4.4 te overwegen dat in de in rov. 4.4 vermelde context partijen over en weer de mail van 20 november 2017 van Gelmo redelijkerwijs moeten hebben begrepen als een mededeling dat de poort klaar was om te worden opgeleverd. Bovendien heeft het hof het vonnis van de rechtbank van 2 december 2020 bekrachtigd waaronder rov. 4.6. 
Sassen’s stelling dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, is zijns inziens beslissend voor de uitkomst van de onderhavige procedure en vereist daarom een specifiek en uitdrukkelijk antwoord (Guide 31-12-2021 § 191, § 416, § 417).

2. ('door open')
Dit klachtonderdeel betreft overweging 4.6 van het hof inzake de functie ‘door open’

Het hof is ongemotiveerd voorbijgegaan aan een groot aantal door Sassen betrokken stellingen, welk feitencomplex aantoont dat alles wat voor de werking van de functie ‘door open’ nodig was aan bekabeling en sensor/magneetcontact, al door Gelmo en/of haar onderaannemer Nikkelen was aangelegd en dat daarom Gelmo’s mededeling dat voor deze functie meerwerk in de vorm van extra bekabeling en uitbreiding van de  Comelit unit nodig was met extra kosten, op onwaarheid berustte.
Dit feitencomplex is alleszins toereikend om te kunnen komen tot de conclusie dat de functie ‘door open’ tot de overeenkomst behoorde, en om vast te stellen dat tussen Gelmo en Sassen is overeengekomen dat Gelmo een systeem met "door open" functionaliteit zou leveren. 
Het door Sassen gestelde feitencomplex is zijns inziens beslissend voor de uitkomst van de onderhavige procedure op dit onderdeel en vereist daarom een specifiek en uitdrukkelijk antwoord (Guide 31-12-2021 § 191, § 416, § 417).
's Hofs oordeel dat het op 17 maart 2020 monteren van een relais het betoog van Gelmo zou ondersteunen dat de "door open" functionaliteit van het Comelit systeem een optioneel systeem is dat desgewenst toegevoegd kan worden, maar niet een "standaard" functie van het Comelit systeem is, is absurd. Rov. 4.6 is daarom willekeurig/flagrant of kennelijk onredelijk (Guide 31-12-2021 § 369).

3. ('nostalgisch belgeluid')
Dit klachtonderdeel betreft overweging 4.10 van het hof inzake ‘nostalgisch belgeluid’.
Het hof gaat zonder enige motivering voorbij aan Gelmo’s mededeling tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg dat dit systeem wel leverbaar was geweest maar dat vanwege de kosten ervoor gekozen was om te zeggen dat er niet geleverd kon worden. Het hof passeert ook zonder enige motivering Sassen’s beroep op deze verklaring (MvG § 68 sub c), die een voldoende weerspreking inhoudt van Gelmo’s bewering dat zij niet kon nakomen.
Sassen’s uitdrukkelijk beroep op Gelmo’s mededeling dat zij wel kon nakomen maar daarvan heeft afgezien uit financiële overwegingen, is zijns inziens beslissend voor de uitkomst van de onderhavige procedure op dit onderdeel en vereist daarom een specifiek en uitdrukkelijk antwoord (Guide 31-12-2021 § 191, § 416, § 417).

4.1. (extra kabel nodig?)
Dit klachtonderdeel betreft overweging 4.19 van het hof dat met betrekking tot de "door open" functie, uit niets blijkt dat Gelmo wist of behoorde te weten dat haar standpunt dat een extra kabel nodig was, onjuist was. 
Deze overweging is volstrekt ongerijmd omdat door Gelmo zelf en/of haar onderaannemer Nikkelen de nodige bekabeling bleek te zijn aangelegd, hetgeen haar uiteraard bekend was. Naar Sassen’s mening is’s Hofs overweging daarom willekeurig/flagrant of kennelijk onredelijk (Guide 31-12-2021 § 369).4.2. (evident ongegronde standpunten?)
4.2. (evident ongegronde standpunten?)
Verder gaat het om rov.4.21: “Sassen onderbouwt niet voldoende dat Gelmo als grondslag voor haar vorderingen of verweer evident ongegronde standpunten heeft ingenomen, waarvan Gelmo de onjuistheid kende of behoorde te kennen.”
Het hof gaat hiermee voorbij aan een aantal wezenlijke stellingen van Sassen die zijn opgenomen in de volgende processtukken inzake ‘door open’ en 'nostalgisch belgeluid: akte wijziging/vermeerdering van eis dd.12 oktober 2020 § 5, conclusie van antwoord in reconventie § 51, 54 en 55, memorie van grieven § 66 en § 68, en spreek-aantekeningen mr. Aarts dd. 11 april 2022.
Sassen's stellingen geven gedetailleerd weer dat Gelmo als grondslag voor haar vorderingen of verweer evident ongegronde standpunten heeft ingenomen, waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen. Deze stellingen zijn zijns inziens beslissend voor de uitkomst van de onderhavige procedure op dit onderdeel en vereisen daarom een specifiek en uitdrukkelijk antwoord (Guide 31-12-2021 § 191, § 416, § 417),

5. (cassatieproof arrest)
Sassen heeft cassatieadvies gevraagd aan de advocaat bij de Hoge Raad mr. Jeroen van Weerden te Rijswijk, die in zijn brief van 3 augustus 2022 schreef dat hij in Sassen’s zaak geen mogelijkheden zag voor een cassatieberoep. Het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei jl. was naar zijn mening niet onbegrijpelijk.

’s Hofs arrest is dus cassatieproof geredigeerd hoewel het hof meerdere essentiële stellingen van Sassen onbesproken heeft gelaten (klachten 1 t/m 4).
Naar Sassen’s mening zijn de overwegingen van het hof daarom niet van dien aard dat hij effectief gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om tegen het arrest van het hof beroep in cassatie in te stellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Guide § 413).

De klacht is nader toegelicht in de eerste bijlage.

De tweede bijlage bevat een overzicht van alle door het hof gepasseerde stellingen inzake 'door open' met citaten en vindplaatsen.

De klacht is op 10 november 2022 niet ontvankelijk verklaard zonder enige motivering.
Wellicht had de op 2 januari 2022 aangetreden Kroatische strafrechtgeleerde rechter nog geen tijd gehad om zich te verdiepen in de vaste rechtspraak van het EHRM inzake de motivering van rechterlijke uitspraken (Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights, Right to a fair trial (civil limb), IV. Procedural requirements, 7. Reasoning of judicial decisions) ? 
Dit leidde tot de navolgende klacht tegen het EHRM.

 

De klacht tegen het EHRM

Op 28 februari 2023 is de navolgende - verkort weergegeven - klacht gericht aan het Presdium van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met begeidende brief:

De brief. dd. 28 februari 2022

Hooggeacht Presidium,

Ik neem hierbij de – vermoedelijk hoogst uitzonderlijke maar helaas noodzakelijke – stap om bij uw Hof te klagen over schending van art. 6 lid 1 EVRM, het recht op een eerlijk proces, casu quo het recht op een behoorlijk gemotiveerde beslissing door een ter zake deskundige rechter, nota bene door uw Hof zelf, hetgeen mij tot nog toe eigenlijk volstrekt ondenkbaar leek.

Op 2022 heeft uw Hof, zittend als alleensprekende rechter, besloten mijn verzoekschrift dd. 6 september 2022, nr. 43400/22, gericht tegen de Staat der Nederlanden, niet-ontvankelijk te verklaren. Deze beslissing is in strijd met de vaste jurisprudentie van uw Hof niet gemotiveerd en de rechter in kwestie is kennelijk ter zake niet deskundig. 

Weliswaar vermeldt uw Griffie in de brief van 10 november 2022, waarbij de beslissing is toegezonden, dat deze beslissing definitief is en niet vatbaar voor beroep bij een Comité, Kamer of de Grote Kamer en dat uw Hof derhalve geen verdere correspondentie zal sturen met betrekking tot deze zaak. 
Evenwel dient mijn klacht van heden niet aangemerkt te worden als een beroep tegen deze beslissing maar wel als een zelfstandige klacht, die – met alle respect – gericht is en moet zijn tegen uw Hof zelf en niet tegen de Staat der Nederlanden.

Het hof Arnhem-Leeuwarden, waarop mijn klacht van 6 september 2022 betrekking heeft, heeft in hoger beroep mijn zaak afgedaan op stelplicht. 
Het ‘afdoen op stelplicht’ is al jarenlang bekritiseerd in conclusies van Advocaten-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden als premature blokkering van de waarheidsvinding en door Nederlandse gezaghebbende auteurs zelfs vergeleken met het strooien van kraaienpoten. 
Het strooien van kraaienpoten om voertuigen af te stoppen is vandalisme. Dat is in het rechtsverkeer niet anders dan in het wegverkeer. Het door de rechter strooien met kraaienpoten op de weg naar de waarheid en het verlangde recht ten einde de rechtzoekende voortijdig af te stoppen, kan moeilijk anders worden beschouwd dan als rechterlijk vandalisme, dat volstrekt niet thuis hoort in de rechtsstaat.

Ik ben als rechtzoekende stuk gelopen op door het hof Arnhem-Leeuwarden gestrooide kraaienpoten. De waarheidsvinding is prematuur geblokkeerd. 
Het ‘afdoen op stelplicht’ is fundamenteel in strijd met art. 6 lid 1 EVRM en blokkeert een eerlijk proces.

De beslissing van uw Hof van 10 november 2022 is dus in wezen een enormiteit, die moet worden rechtgezet.
Het kan en mag niet zo zijn dat uw Hof de eigen jurisprudentieregels inzake de behoorlijke motivering van rechterlijke uitspraken niet in acht neemt door een klacht ongemotiveerd af te doen, welke klacht inhoudt dat het hof Arnhem-Leeuwarden essentieel tekort is geschoten in het overeenkomstig deze regels motiveren van het arrest door essentiële stellingen af te doen opstelplicht.

Een en ander vindt u nader uiteengezet in bijgaand klaagschrift met bijlagen.

Ik verzoek uw Hof deze klacht ontvankelijk te verklaren en voormelde beslissing van 6 september 2022 te herzien, zo nodig ambtshalve, met zodanige wel gemotiveerde beslissing als uw Hof in goede justitie juist zal oordelen.

In afwachting van uw bericht,
Met de meeste hoogachting,

 

De klacht dd. 28 februari 2022

Aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Presidium

(...)

Op 10 november 2022 heeft uw Hof, zittend als alleensprekende rechter, besloten klagers bovenvermeld verzoekschrift dd. 6 september 2022 niet-ontvankelijk te verklaren.
De brief van de griffier met aan de achterzijde de beslissing van uw Hof wordt hierbij overgelegd (bijlage 1).

Uw hof overweegt:

DECISION
CASE OF SASSEN v. THE NETHERLANDS
(Application no. 43400/22)
introduced on 6 September 2022

The European Court of Human Rights, sitting on 3 November 2022 in a single-judge formation pursuant to Articles 24 § 2 and 27 of the Convention, has examined the application as submitted.

The application refers to Article 6 § 1 of the Convention.

The Court finds in the light of all the material in its possession that the matters complained of do not disclose any appearance of a violation of the rights and freedoms set out in the Convention or the Protocols thereto. Accordingly, these complaints are manifestly ill-founded within the meaning of Article 35 § 3 (a).

The Court declares the application inadmissible.

Davor Derencinovié
Judge

Klager acht de beslissing van uw Hof in strijd met het beginsel van fair trial als neergelegd in artikel 6 lid 1 EVRM op de volgende twee gronden: 
1. Art. 6 lid 1 EVRM geeft het recht op beoordeling van de zaak door een ter zake deskundige rechter. De rechter die in deze zaak de beslissing heeft genomen, beschikt kennelijk niet over de expertise die nodig is voor de beoordeling van de zaak.
2. De beslissing is niet naar behoren overeenkomstig de vaste rechtspraak van uw Hof gemotiveerd.


Ad 1. Geen beslissing door een ter zake deskundige rechter

Art. 6 lid 1 EVRM geeft recht op een beslissing door een ter zake deskundige rechter.
Het ECHR Blog dd. 23 juni 2021 vermeldt omtrent de rechter:

Davor Derenčinović Elected New Judge in Respect of Croatia
On 22 June, the Parliamentary Assembly of the Council of Europe elected Davor Derenčinović as judge to the European Court of Human Rights in respect of Croatia. His term of of office of nine years will commence on 2 January 2022.
Derenčinović is a full professor of criminal law at the University of Zagreb and since 2010 served as ad-hoc judge of the European Court of Human Rights in respect of Croatia. He also holds the position of the president of the Croatian Academy of Legal Sciences. In the past he served as a member of different committees in Croatian Parliament and Government. His and the CV of the two other Croatian candidates for the position of ECHR judge can be accessed here.

Rechter Derenčinović beschikt over strafrechtelijke expertise.
De onderhavige zaak vergt evenwel voor de beoordeling ervan Nederlandse civiel procesrechtelijke expertise, waarover rechter Derenčinović kennelijk niet beschikt.

Ad 2: beslissing niet naar behoren gemotiveerd

Een partij in een gerechtelijke procedure mag een specifiek en uitdrukkelijk antwoord verwachten op de argumenten die doorslaggevend zijn voor de uitkomst van de procedure in kwestie.

Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights
Right to a fair trial (civil limb), Updated to 31 December 2021
191. Again with reference to the extent of the judicial review, the Court has added that the domestic courts must “adequately state the reasons on which their decisions are based” (Ramos Nunes de Carvalho e Sá v. Portugal [GC], 2018, § 185). Without requiring a detailed answer to every argument put forward by a complainant, this obligation nevertheless presupposes that a party to judicial proceedings can expect a specific and express reply to those submissions which are decisive for the outcome of the proceedings in question (ibid.). (…)
416. However, where a party’s submission is decisive for the outcome of the proceedings, it requires a specific and express reply (Ruiz Torija v. Spain, 1994, § 30; Hiro Balani v. Spain, 1994, § 28; and compare Petrović and Others v. Montenegro, 2018, § 43).
417. The courts are therefore required to examine:
▪ the litigants’ main arguments (Buzescu v. Romania, 2005, § 67; Donadze v. Georgia, 2006, § 35); specific, pertinent and important points (Mont Blanc Trading Ltd and Antares Titanium Trading Ltd v. Ukraine, 2021, §§ 82 and 84).
▪ (…)

NB. Klagers op 6 september 2020 ingediende klacht verwijst naar de editie dd. 31 december 2021. In de meest recente editie dd. 31 augustus 2022 zijn de nummers van de paragrafen gewijzigd in 200 respectievelijk 431 en 432.

De in de klacht dd. 6 september 2022 opgeworpen klachtonderdelen:
1. oplevering, 
2. ‘door open’, 
3. ‘nostalgisch belgeluid’, 
4.1. extra kabel nodig?, 
4.2. evident ongegronde standpunten?,
5. cassatieproof arrest, 
zijn uitgewerkt en nader toegelicht in de bijlagen: 
1. Application - F Verklaring omtrent beweerde schending(en) van het Verdrag - uitwerking en toelichting, en 
2. Application - F Verklaring omtrent beweerde schending(en) van het Verdrag - overzicht van de in het arrest van het hof rov 4-6 gepasseerde stellingen (feitencomplex).
Zij houden argumenten in die naar klagers mening doorslaggevend zijn voor de uitkomst van de procedure in kwestie.
Derhalve had dienaangaande behoorlijk gemotiveerd dienen te worden beslist.


‘Spanningsveld’

Het gaat hier om het ‘spanningsveld’ tussen enerzijds de Nederlandse gerechtshoven, die in hoger beroep uitspraak doen, – in casu het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden – en de Hoge Raad der Nederlanden, die in cassatie over de beslissingen van de gerechtshoven oordeelt.
De Hoge Raad beoordeelt in cassatie of een lagere rechter (rechtbank/gerechtshof) bij een uitspraak het recht juist heeft toegepast en of de procedure juist is gevolgd.
De website van de Hoge Raad vermeldt
( https://www.hogeraad.nl/over-ons/ ) 

Over ons 

De Hoge Raad der Nederlanden is de hoogste rechter in Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij is dat ook voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Saba en Sint Eustatius. De Hoge Raad is geen derde instantie maar cassatierechter. Dat betekent dat de Hoge Raad beoordeelt of een lagere rechter (rechtbank/gerechtshof) bij een uitspraak het recht juist heeft toegepast en of de procedure juist is gevolgd. 

Belangrijke kenmerken van de cassatieprocedure 
• De Hoge Raad stelt geen feiten vast, maar gaat uit van de feiten en omstandigheden die zijn vastgesteld door de lagere rechter (rechtbank of gerechtshof). 
• In de cassatieprocedure onderzoekt de Hoge Raad of de lagere rechter het recht op juiste wijze heeft uitgelegd en toegepast. 
• Ook beoordeelt de Hoge Raad of de lagere rechter geen procedurele fouten heeft gemaakt en of de uitspraak begrijpelijk is gemotiveerd. 

De Hoge Raad heeft drie kerntaken 
• Een bijdrage leveren aan rechtsontwikkeling 
• Het bieden van individuele rechtsbescherming 
• Het waarborgen van rechtseenheid

Het ‘spanningsveld’ zit in de waardering door de lagere rechter van stellingen, die over en weer door de partijen in de civiele procedure zijn ingenomen. 
Een feitelijke en niet onbegrijpelijke waardering door het gerechtshof van de stellingen van partijen leent zich niet voor cassatie.
Dit blijkt in de onderhavige zaak uit het aan klager gegeven negatief cassatieadvies van mr. J. van Weerden (klacht dd. 6 september 2022 bijlage 21).
Deze waardering van de stellingen van partijen kan desalniettemin meebrengen dat geen recht wordt gedaan aan argumenten van een partij die doorslaggevend zijn voor de uitkomst van de procedure, namelijk in het geval waarin – zo op het eerste gezicht feitelijk en niet onbegrijpelijk - wordt overwogen dat onvoldoende is gesteld, hetgeen ook wel wordt aangeduid als: ‘afdoen op stelplicht’.


Afdoen op stelplicht

8. Het ‘afdoen op stelplicht’  manifesteert zich in het arrest van het hof Leeuwarden in de overweging 4.6 (klachtonderdeel 2 ‘door open’):

Functie "door open"
4.6. Het geïnstalleerde Comelit systeem kan zo geprogrammeerd worden dat door middel van een icoon op het bedieningspaneel voor Sassen zichtbaar is of de poort openstaat of gesloten is:· de "door open" functie. Sassen stelt dat het hier gaat om een "standaard" functie van het Comelit systeem, die daarom tot de overeenkomst behoorde. Uit het rapport van JWR Electrotechniek blijkt dat een sensor nodig is om de stand van de poort (open of dicht) aan te geven en dat die sensor ontbrak. Bovendien is op 17 maart 2020 een relais gemonteerd voor het deurstatuscontact en zijn de kabels deurstatuscontact aangesloten, zo blijkt uit de toelichting van Klaassen Electrotechniek op haar factuur van 1 juni 2020. Die feiten ondersteunen het betoog .van Gelmo dat de "door open" functionaliteit van het Comelit systeem een optioneel systeem is dat desgewenst toegevoegd kan worden, maar niet een "standaard" functie van het Comelit systeem is. Tegen die achtergrond stelt Sassen verder te weinig om te concluderen dat deze functionaliteit tot de overeenkomst behoorde. Het hof kan daarom niet vaststellen dat tussen Gelmo en Sassen is overeengekomen dat Gelmo een systeem met "door open" functionaliteit zou leveren.
(bold klager)

Met de overweging dat Sassen te weinig stelt, is een veelheid van stellingen, een heel feitencomplex genegeerd, welke stellingen essentieel zijn voor beoordeling van de zaak.
Deze stellingen zijn vermeld in de klacht dd. 6 september 2022 ‘02 bijlage bij F Schending - arrest hof rov 4-6 door open - de gepasseerde stellingen’.

Het ‘afdoen op stelplicht’ kan zich ook voordoen voor wat betreft het gemotiveerd weerspreken van stellingen van de wederpartij.
’s Hofs overweging 4.10 (klachtonderdeel 3 ‘nostalgische belgeluid’) laat dit zien.

"Nostalgisch belgeluid"
4.10. In de opdrachtbevestiging is opgenomen "een nostalgisch deurbel geluid welke in de buitenomgeving duidelijk waarneembaar is". In de mail van 20 november 201.7 schreef Gelmo "het signaal en de bel zijn door ons niet correct aan te leveren". Dat levert een gebrek op. Artikel 7:759 lid 1 BW bepaalt dat de aannemer daarvoor aansprakelijk is. Artikel 7:759 lid 2 BW bepaalt echter dat de opdrachtgever niet in alle gevallen kan vorderen dat de aannemer het gebrek herstelt. Uit artikel 6:87 BW volgt dat in gevallen waar nakoming blijvend onmogelijk is, de wederpartij alleen schadevergoeding kan vorderen. Het betoog van Gelmo komt erop neer dat zij feitelijk niet kan nakomen: het nostalgische belgeluid dat Sassen wenst, kan zij niet leveren. Sassen weerspreekt dat onvoldoende. Hij heeft specifieke eisen voor het geluidsignaal maar voert niet aan dat er een digitaal geluidsbestand bestaat dat aan zijn eisen voldoet. Dat betekent dat Gelmo niet (tot tevredenheid van Sassen) kan nakomen.
(bold klager)

Het hof is hier zonder enige motivering voorbij gegaan aan klagers tegenspraak, namelijk zijn beroep in zijn Memorie van Grieven § 68 sub c op Gelmo’s mededeling tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg dat dit systeem (het ‘nostalgisch belgeluid’) wel leverbaar was geweest maar dat vanwege de kosten ervoor gekozen was om te zeggen dat er niet geleverd kon worden. Het beroep op Gelmo’s mededeling houdt nu juist alleszins voldoende weerspreking in van Gelmo’s bewering dat zij niet kon nakomen, aangezien zij zelf ter zitting verklaarde dat zij wel had kunnen leveren maar uit kostenoverwegingen het tegendeel had beweerd.

Het ‘afdoen op stelplicht’ manifesteert zich vervolgens in ’s hofs overweging 4.19 (klachtonderdeel 4.1, extra kabel nodig?):

4.19. Het hof overweegt als volgt. Artikel 21 R v verplicht partijen de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aàn te voeren. Met betrekking tot de "door open" functie, blijkt uit niets dat Gelmo wist of behoorde te weten dat haar standpunt dat een extra kabel nodig was, onjuist was.
(bold klager)

Met ‘blijkt uit niets” negeert het hof klagers stelling in zijn Memorie van Grieven: “66. Anders dan Gelmo bedrieglijk beweerde ('kabeltrekkerij') 25, hoefde voor die installatie géén extra kabel te worden getrokken van poort naar huis.”, welke stelling nader is toegelicht in deze paragraaf 66 en ter zitting van 11 april 2022 (pleitaantekeningen mr. Aarts § 8).

Zo ook in ’s hofs overweging 4.21 (klachtonderdeel 4.2, evident ongegronde standpunten?):

4.21. Sassen onderbouwt niet voldoende dat Gelmo als·grondslag voor haar vorderingen of verweer evident ongegronde standpunten heeft ingenomen, waarvan Gelmo de onjuistheid kende of behoorde te kennen.
(bold klager)

Hier is het hof voorbij gegaan aan klagers wezenlijke stellingen als vermeld in zijn klacht dd. 6 september 2022 ‘02 bijlage bij F Schending - arrest hof rov 4-6 door open - de gepasseerde stellingen), blz. 8 t/m 10’.

 

Kritiek op het ‘afdoen op stelplicht’ in literatuur en rechtspraak

Het afdoen op stelplicht is in de afgelopen jaren ernstig bekritiseerd. De hierna deels geciteerde conclusies en artikelen geven een goed beeld van deze problematiek.

a. Conclusie A-G Huydecoper dd. 11-11-2006 ECLI:NL:HR:2006:AU9729
De Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad Huydecoper schetste al in 2006 het probleem in hoeverre de rechter aan partijstellingen voorbij mag gaan. Hij komt tot de conclusie (§ 9): 
“De partij die een (stand)punt naar voren heeft gebracht dat niet op aannemelijke gronden als (klaarblijkelijk) onjuist en/of niet serieus gemeend kan worden beoordeeld, en dat in de aan de rechter voorgelegde geschillen een wezenlijke rol kan spelen, heeft er aanspraak op dat dat punt in de beoordeling wordt betrokken en dat hij - deze partij - niet "met een kluitje in het riet wordt gestuurd", met een overweging die ertoe strekt dat er (nog) meer aan onderbouwing, toelichting of ondersteuning met preliminair (bewijs)materiaal had mogen worden verwacht.”
(
volgen citaten uit de conclusie - zie hoofdstuk 'Afdoen op stelplicht', '2006 Huydecoper')

b. 2012 Asser, ‘Stelplicht, een kraaienpoot op de weg van de waarheidsvinding’ TCR 2012 nr.4
Asser (bijlage 2) vergelijkt het afdoen op stelplicht met het strooien van kraaienpootjes:
“‘Zelfs indien u gelijk hebt, meneer, krijgt u het niet van mij’, zegt de rechter, die dan zijn juridische kraaienpootjes strooit op de weg naar de waarheid en het verlangde recht. Tot de meest gestrooide juridische kraaienpootjes behoort al een tijdje de dooddoener dat een partij niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Bewijs, met name aangeboden getuigenbewijs, mag dan niet meer worden geleverd.”
(volgen citaten uit het artikel - zie hoofdstuk 'Afdoen op stelplicht', '2012 Asser')

c. 2016 – Conclusie A-G De Bock dd. 2-12-2016
ECLI:NL:PHR:2016:1236

In zijn conclusie dd. 2 december 2016 (§ 3.29) geeft A-G De Block  aan “dat de rechter vóórdat hij oordeelt dat een partij een stelling van haar wederpartij onvoldoende gemotiveerd heeft betwist (en dus niet wordt toegekomen aan bewijslevering), uit een oogpunt van behoorlijke rechtsbedeling zich de volgende vragen zou moeten stellen: (…)” 

(volgen citaten uit het artikel - zie hoofdstuk 'Afdoen op stelplicht', '2016 De Bock')

d. 2018 – Van der Kraats, ‘De stelplicht: geen kraaienpoot maar een sinkhole’
Van der Kraats (bijlage 3) schrijft dat die kraaienpoot in de praktijk een groot ‘sinkhole’ blijkt te zijn:
“Asser heeft de stelplicht ‘een kraaienpoot op de weg van de waarheidsvinding’ genoemd. Die kraaienpoot blijkt in de praktijk een groot ‘sinkhole’.”

(volgen citaten uit het artikel - zie hoofdstuk 'Afdoen op stelplicht', '2018 Van der Kraats')

e. 2021 – De Haan, ‘Over kraaienpoten en ‘sinkholes’. een kritische blik op het afdoen op de stelplicht’
De Haan (bijlage 4) acht de bevindingen van Van der Kraats zorgwekkend:
“Volgens haar is, gelet op het grote aantal zaken dat op de stelplicht wordt afgedaan en het (bijgevolg) geringe aantal bewijsopdrachten dat wordt verstrekt, de stelplicht geen kraaienpoot, maar een ‘sinkhole’. Zij concludeert op basis van haar onderzoek (dossieronderzoek en interviews met rechters) dat rechters de lat voor de stelplicht in de praktijk zó hoog leggen dat het een werkelijke barrière vormt voor partijen om hun materiële rechten verwezenlijkt te krijgen. Dat is een zorgwekkende conclusie.”

(volgen citaten uit het artikel - zie hoofdstuk 'Afdoen op stelplicht', '2021 De Haan')

f. 2021 – Conclusie A-G De Bock dd. 24-12-2021 ECLI:NL:PHR:2021:1228
In zijn conclusie dd. 24 december 2021 stelt A-G De Bock: 

“Afdoening op stelplicht leidt tot een ‘premature blokkering van de waarheidsvinding’, waarvan het resultaat is dat de rechter uitspraak doet op basis van aannames in plaats van feiten. Vanuit een oogpunt van waarheidsvinding is dit een onwenselijke gang van zaken.” (§ 4.29)
“En als het niet voldoen aan de stelplicht fungeert als blokkering voor de waarheidsvinding, zal de rechter zich op zijn minst de volgende controlevraag moeten stellen: wat had de steller/betwister in redelijkheid meer of anders kunnen en moeten stellen? 59 Verder kan als vuistregel worden gehanteerd dat de rechter alleen dient te oordelen dat een in het geding centraal staande stelling onvoldoende onderbouwd is indien dit ‘in uitgesproken mate’ het geval is.60 Met andere woorden, als de stelling betrekking heeft op de kern van het geschil, dan moet zo min mogelijk naar deze wijze van afdoening worden gegrepen en moet de rechter gewoon uitzoeken hoe het zit.” (§ 4.34)

(volgen citaten uit het artikel - zie hoofdstuk 'Afdoen op stelplicht', '2021 De Bock')

Het ‘afdoen op stelplicht’ blokkeert de waarheidsvinding

Strooien met kraaienpoten  om voertuigen af te stoppen, wordt gerekend tot vandalisme (zoek in Google op ‘kraaienpoten’ en ‘vandalisme’).
Het in het rechtsverkeer door de rechter strooien met kraaienpoten op de weg van de rechtzoekende naar de waarheid en het verlangde recht ten einde deze rechtzoekende voortijdig af te stoppen, kan moeilijk anders worden beschouwd dan als rechterlijk vandalisme, dat volstrekt niet thuis hoort in de rechtsstaat.
Afdoening op stelplicht leidt tot een ‘premature blokkering van de waarheidsvinding’ , blokkeert daarom een eerlijk proces en is dus fundamenteel in strijd met art. 6 lid 1 EVRM.

Klager is als rechtzoekende stuk gelopen op door het hof Arnhem-Leeuwarden gestrooide kraaienpoten. 

Het kan en mag niet zo zijn dat uw Hof de eigen jurisprudentieregels inzake de behoorlijke motivering van rechterlijke uitspraken niet in acht neemt door een klacht ongemotiveerd af te doen, welke klacht inhoudt dat het hof Arnhem-Leeuwarden wezenlijk tekort is geschoten in het overeenkomstig deze regels motiveren van het arrest door de zaak af te doen op stelplicht. 

MITSDIEN verzoekt klager uw Hof deze klacht ontvankelijk te verklaren en voormelde beslissing van uw Hof dd. 10 november 2022 te herzien, zo nodig ambtshalve, met zodanige wel gemotiveerde beslissing als uw Hof in goede justitie juist zal oordelen.

Nijmegen, 28 februari 2023

Jan Hendrik Sassen

Bijlagen:
1. De brief van de griffier met aan de achterzijde de beslissing van uw Hof dd. 10 november 2022
2. Artikel Asser, ‘Stelplicht, een kraaienpoot op de weg van de waarheidsvinding’
3. Artikel Van der Kraats, ‘De stelplicht: geen kraaienpoot maar een sinkhole’
4. Artikel De Haan, ‘Over kraaienpoten en ‘sinkholes’. een kritische blik op het afdoen op de stelplicht’

De klacht met bijlagen is - met vertraging vanwege woelingen in Frankrijk - bezorgd op 10 maart 2023.
Het EHRM heeft niet op deze klacht gereageerd.

 

Is het EHRM gebonden aan het EVRM?
 

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,
Artikel 6. Recht op een eerlijk proces
1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

In het Nederlands Juristen Blad (NJB) jaargang 2023 aflevering 1 stelt en beantwoordt Ulli Jessurun d’Oliveira de vraag 'Is het EHRM zelf gebonden aan artikel 6 EVRM? Ik denk van niet'. 

Het lijkt zo vanzelfsprekend: dat het Europese Hof voor de Mensenrechten zich zelf ook behoort te houden aan de in artikel 6 EVRM neergelegde regels voor een eerlijk proces, zoals door het eigenste Hof in talloze uitspraken uitgelegd en vormgegeven. Maar is dat ook zo? In deze bijdrage wordt betoogd, dat het EHRM niet aan artikel 6 EVRM gebonden is. En zelfs, dat sommige regels waar het Hof wél aan gebonden is in strijd komen met aspecten van artikel 6 EVRM. En in de praktijk overschrijden veel uitspraken de redelijke termijn met vele jaren. De overladen werkvoorraad van het Hof zet het fair trial op verschillende manieren onder druk, een druk die deels door de lidstaten van de Raad van Europa kan worden weggenomen.

Onder andere besteedt hij aandacht aan het 'cherrypicking' door het EHRM, namelijk het niet op alle klachten ingaan, maar er één selecteren als hoofdklacht, en andere onbeantwoord laten als ‘accessoir’, hetgeen in strijd is met het motiveringsvereiste van artikel 6 EVRM dat de rechter op alle grieven dient te antwoorden.

In de tweede plaats. Het feit dat er een aantal elementen van het recht op een eerlijk proces in sectie II van het EVRM staat opgesomd vormt op zich al een mijns inziens sterke aanwijzing dat het Hof niet zelf aan sectie I van het verdrag is onderworpen. De catalogus van eisen in Sectie II als die over bekwaamheid en onkreukbaarheid, onpartijdigheid en onafhankelijkheid, het motiveringsvereiste, is overbodig als het Hof al onder de geboden van artikel 6 zou staan. Nu kan het geen kwaad om belangrijke teksten te herhalen om de betekenis ervan te laten doordringen, maar wetgevers zijn niet gek op redundantie. Ik ga er dus van uit dat ze zelfstandige betekenis hebben en dus een afwijkende catalogus van eisen aan de door het Hof zelf in acht te nemen beginselen vormen. Die afwijking of beperking hangt deels samen met de omstandigheid dat het Hof een andere functie heeft dan de nationale (hoogste) gerechten.

Meer strijd met artikel 6
Er zijn dan ook aspecten van artikel 6 die niet terug te vinden zijn in Sectie II, of die zelfs in strijd komen met het artikel, zoals geïnterpreteerd door het Hof. Zo wijst rechter Vilanova erop, dat de beslissing in Câmpeanu (2014)12 niet alleen in strijd is met de strenge eisen die het Hof in het kader van artikel 6 aan de nationale gerechtten stelt met betrekking tot het motiveringsvereiste, namelijk dat de rechter op alle grieven dient te antwoorden, maar dat deze jurisprudentie bovendien in strijd is met artikel 45 EVRM en zijn daarin neergelegde motiveringsplicht. Bovendien waarschijnlijk ook met artikel 32, dat over de competentie van het Hof neerlegt dat deze alle kwesties omvat met betrekking tot de interpretatie van verdrag en protocollen.13 In Câmpeanu behield het Hof zich namelijk het recht voor om niet op alle klachten in te gaan, maar er één te selecteren als hoofdklacht, en andere onbeantwoord te laten als ‘accessoir’. Begrijpelijk uit een oogpunt van extreme werkdruk, maar niet in overeenstemming met het knallen van zijn over de nationale gerechten gelegde motiveringszweep. Om met vier niet onbelangrijke dissenters in een belangrijke artikel 6 lid 1-zaak te spreken:14

‘It is true that the Court has frequently refrained from examining peripheral or secondary complaints or complaints that are in one way or another absorbed by the main complaint to which it has provided an extensive answer. This is a means by which the Court seeks to deal with as many applications as possible, to concentrate on the core legal issues, to avoid overburdening a given judgment and to ensure greater clarity by leaving aside peripheral or secondary claims. However, where claims are neither peripheral nor secondary, skipping an essential and even distinct element of an application could rightly be perceived as a partial “denial of justice”.’15

De praktijk van cherry-picking is dus op zijn minst dubieus te noemen, strijdig met artikel 6, zou dat toepasselijk zijn, en zelfs kwetsbaar in het licht van vereisten in deel II van het verdrag. Rechtsweigering ligt op de loer.

voetnoten
12. EHRM (Grote Kamer) 17 juli 2014, appl. no. 47848/08 (Centre de ressources juridiques au nom de Valentin Câmpeanu/Roemenië).
Vilanova schreef dan ook een dissenting opinion in deze geest in EHRM 17
oktober 2019, appl. no. 14156/07 (Hakobyan en Amirkhanan/Armenië).
13. Pere Pastor Vilanova, ‘Le juge européen est-il tenu par les règles du procès équitable?’, in: Liber amicorum Sicilianos, 2020, p. 391-405.
14. EHRM (Grand Chamber) 1 december 2020, appl. no. 26374/18 (Gudmundur Andri Astradsson/Iceland).
15. Par. 43 van de Joint Partly Concurring, Partly Dissenting Opinion of Judges O‘Leary, Ravarani, Kucsko-Stadlmayer and Ilievski.
In dit geval werd vastgesteld dat de wettelijk in IJsland voorgeschreven benoemingsprocedure op verschillende manieren was geschonden, zonder dat de tweede klacht met betrekking tot de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de betrokken rechter werd onderzocht. De dissenters
vonden dat neerkomen op rechtsweigering, en strijdig met de verplichtingen van het Hof. Dezelfde dissenting opinion op dit punt van rechter Serghides.

Het motiveringsbeginsel is vastgelegd in het EVRM zelf, namelijk artikel 45:

Art. 45 EVRM
Redenen die aan uitspraken en beslissingen ten grondslag liggen
1. Uitspraken, alsmede beslissingen waarbij verzoekschriften al dan niet ontvankelijk worden verklaard, dienen met redenen te worden omkleed.
2. (...)

Kan cherry-picking al beschouwd worden als strijdig met artikel 45 EVRM en de rechtspraak van het EHRM zelf: "The courts are therefore required to examine ​​​​​​the litigants’ main arguments" (Guide § 432 *), het ongemotiveerd beslissen komt zonder meer daarmee in strijd,

Mij dunkt dat het EHRM zelf gebonden is aan het EVRM, aan welk Verdrag het EHRM nota bene zijn bestaansrecht ontleent!

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Rome, 04-11-1950TITEL II. EUROPEES HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS
Artikel 19. Instelling van het Hof
Teneinde de nakoming te verzekeren van de verplichtingen die de Hoge Verdragsluitende Partijen in het Verdrag en de Protocollen daarbij op zich hebben genomen, wordt een Europees Hof voor de Rechten van de Mens ingesteld, hierna te noemen „het Hof”. Het functioneert op een permanente basis.

Als het zo zou zijn dat het EHRM zich niet langer houdt aan het motiveringsvereiste van het Verdrag (art. 45 EVRM) en de door de hof zelf ontwikkelde rechtspraak *) dan verdient het aanbeveling dat de Staten, de founding fathers van het Verdrag, zelf gaan voorzien in nationale Hoven ter bescherming van de rechten van de mens. in casu een Nederlands Hof voor de Rechten van de Mens.
 

De rechtzoekende kan geen vertrouwen stellen in rechters die hun beslissingen niet motiveren.

 

*) Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights, Right to a fair trial (civil limb)

7. Reasoning of judicial decisions 

426. The guarantees enshrined in Article 6 § 1 include the obligation for courts to give sufficient reasons for their decisions (H. v. Belgium, 1987, § 53, and for a summary of the principles, Zayidov v. Azerbaijan (no. 2), 2022, § 91). A reasoned decision shows the parties that their case has truly been heard, and thus contributes to a greater acceptance of the decision (Magnin v. France (dec.), 2012, § 29). 

427. Although a domestic court has a certain margin of appreciation when choosing arguments and admitting evidence, it is obliged to justify its activities by giving reasons for its decisions (Suominen v. Finland, 2003, § 36; Carmel Saliba v. Malta, 2016, §§ 73 and 79). 

428. The reasons given must be such as to enable the parties to make effective use of any existing right of appeal (Hirvisaari v. Finland, 2001, § 30 in fine). 

429. Article 6 § 1 obliges courts to give reasons for their decisions, but cannot be understood as requiring a detailed answer to every argument (García Ruiz v. Spain [GC], 1999, § 26; Perez v. France [GC], 2004, § 81; Van de Hurk v. the Netherlands, 1994, § 61; Jahnke and Lenoble v. France (dec.), 2000). 

430. The extent to which this duty to give reasons applies may vary according to the nature of the decision (Ruiz Torija v. Spain, 1994, § 29; Hiro Balani v. Spain, 1994, § 27) and can only be determined in the light of the circumstances of the case: it is necessary to take into account, inter alia, the diversity of the submissions that a litigant may bring before the courts and the differences existing in the Contracting States with regard to statutory provisions, customary rules, legal opinion and the presentation and drafting of judgments (Ruiz Torija v. Spain, 1994, § 29; Hiro Balani v. Spain, 1994, § 27). As to whether the Court of Cassation did not examine a ground of appeal raised by the applicant, or whether it assessed the relevance of the ground of appeal before deciding to reject it by means of brief reasoning, see Tourisme d’affaires v. France, 2012, §§ 28 et seq.; and also Higgins and Others v. France, 1998, § 43. In a case where a court had not explicitly examined the applicant’s complaint, the Court was able to accept that their silence on that complaint could reasonably be construed as an implicit rejection in the circumstances of the case (Čivinskaitė v. Lithuania, 2020, §§ 142-144). Where the case concerns national security, the secret nature of the documents concerned may limit the scope of the obligation to give reasons for judicial decisions (compare Regner v. the Czech Republic [GC], 2017, § 158 in fine, and, mutatis mutandis, Šeks v. Croatia, 2022, § 71). 

431. However, where a party’s submission is decisive for the outcome of the proceedings, it requires a specific and express reply (Ruiz Torija v. Spain, 1994, § 30; Hiro Balani v. Spain, 1994, § 28; and compare Petrović and Others v. Montenegro, 2018, § 43). 

432. The courts are therefore required to examine: 

▪ the litigants’ main arguments (Buzescu v. Romania, 2005, § 67; Donadze v. Georgia, 2006, § 35);specific, pertinent and important points (Mont Blanc Trading Ltd and Antares Titanium Trading Ltd v. Ukraine, 2021, §§ 82 and 84).
▪ pleas concerning the rights and freedoms guaranteed by the Convention and its Protocols: the national courts are required to examine these with particular rigour and care (Fabris v. France [GC], 2013, § 72 in fine; Wagner and J.M.W.L. v. Luxembourg, 2007, § 96). This is a consequence of the subsidiarity principle. 

433. Article 6 § 1 does not require a supreme court to give more detailed reasoning when it simply applies a specific legal provision to dismiss an appeal on points of law as having no prospects of success, without further explanation (Gorou v. Greece (no. 2) [GC], 2009, § 41; Burg and Others v. France (dec.), 2003).

434. Similarly, in the case of an application for leave to appeal, which is the precondition for a hearing of the claims by the superior court and the eventual issuing of a judgment, Article 6 § 1 cannot be Guide on Article 6 of the Convention – Right to a fair trial (civil limb) European Court of Human Rights 97/130 Last update: 31.08.2022 interpreted as requiring that the rejection of leave be itself subject to a requirement to give detailed reasons (Bufferne v. France (dec.), 2002; Kukkonen v. Finland (no. 2), 2009, § 24). Compare Gorou v. Greece (no. 4), 2007, § 22. 

435. Furthermore, in dismissing an appeal, an appellate court may, in principle, simply endorse the reasons for the lower court’s decision (García Ruiz v. Spain [GC], 1999, § 26; contrast Tatishvili v. Russia, 2007, § 62). However, the notion of a fair procedure requires that a national court which has given sparse reasons for its decisions, whether by incorporating the reasons of a lower court or otherwise, did in fact address the essential issues which were submitted to its jurisdiction and did not merely endorse without further ado the findings reached by a lower court (Helle v. Finland, 1997, § 60). This requirement is all the more important where a litigant has not been able to present his case orally in the domestic proceedings (ibid.).

 436. However, appellate courts (at second instance) with responsibility for filtering out unfounded appeals and with jurisdiction to deal with questions of fact and law in civil proceedings are required to give reasons for their refusal to accept an appeal for adjudication (Hansen v. Norway, 2014, §§ 77- 83). In the case cited, the Court of Appeal had refused to consider an appeal by the applicant against a decision by the first-instance court in civil proceedings, holding that it was “clear that the appeal will not succeed” and in doing so simply reproducing the wording of the Code of Civil Procedure. 

437. Furthermore, a constitutional court that has departed from one of its previous judgments simply by expressing its “disagreement” with its earlier position has not provided sufficient reasons (Grzęda v. Poland [GC], § 315). 

438. Furthermore, the Court found no violation in a case where no specific response had been given to an argument relating to an inconsequential aspect of the case – namely the absence of a signature and a stamp, which was a flaw of a formal rather than substantive nature and had been promptly rectified (Mugoša v. Montenegro, 2016, § 63). However, the Court has emphasised the importance of sufficient reasons being provided by the court, for example in civil liability proceedings relating to a criminal act (see Carmel Saliba v. Malta, 2016, § 78, and the link with safeguards in “criminal” matters). Lastly, it has held that a deficiency in the provision of reasons may result in a “denial of justice” (Ballıktaş Bingöllü v. Turkey, 2021, § 77, and see under “Fourth instance” above) 38 .

12-6-2024

◄▬ Afdoen op stelplicht - De draaipoort zaak ▬►
Powered by Website Baker